Over ons
Inleiding
Toen ik, Sjaak Leunissen, in 1998 overwoog om een stamboom over onze familie Leunissen te maken, kon ik niet bevroeden dat ik 26 jaar later een schat aan informatie heb kunnen verzamelen over mijn en onze voorouders. Niet alleen over hun geboortes, huwelijken en overlijdens, ook daar waar mogelijk over de tijd waarin ze leefden, over wat ze deden en wat ze beleefden. Wat ik heb gevonden en wat interessant is, heb ik opgeschreven als ‘Een weetje’, niet alles natuurlijk, want onze geschiedenis gaat meer dan 400 jaar terug.
De vroegste gegevens, die ik in eerste instantie vond, stamden uit Nuth en ik dacht dat daar onze oorsprong lag. Door onderzoek van genealoog Jan Luijten moest ik dit herschrijven. Ik kwam tot de ontdekking dat wij niet van Nuth stammen maar van Geulle. Ik had intussen het voorwoord, de achtergrond en andere gegevens verzameld en opgeschreven alsof we van Nuth kwamen. Ik heb dit voor het grootste deel toch zo gelaten, omdat de eerste personen uit generatie II en III lang in Nuth gewoond hebben. Vandaaruit zijn hun kinderen uitgezworven. Ik heb er, voordat ik de stamboom ging publiceren, informatie over Geulle aan toegevoegd.
Uitleg
Elke genealoog streeft ernaar om een stamboom te maken die zover mogelijk teruggaat in de tijd en waarvan de gegevens overeenkomen met de feiten, zoals vastgelegd in de boeken van de kerk en later in die van de gemeenten.
Hoe verder je teruggaat, hoe moeilijker het wordt. Soms zijn de noodzakelijke gegevens van geboorte, huwelijk en overlijden gewoon niet te vinden. Oorzaken: door weersinvloeden (bv. vocht) zijn boeken verloren gegaan of niet meer te lezen, door oorlogen zijn kerken en kapellen in brand gevlogen en zijn kerkboeken verbrand of gestolen, of de gegevens zijn nooit opgeschreven.
Ik heb ontzettend veel tijd gestoken om aan het begin van de stamboom rond 1600 de ontbrekende gegevens te vinden, zeker als het ging om de gegevens van de generaties I en II. Door onderzoek van Jan Luijten (waar ik hem zeer dankbaar voor ben) ben ik op een geheel ander spoor terecht gekomen.
Hoe hard ik ook zocht, de geboorte van Joannes Lonijs (generatie II.1.) was in Nuth niet te vinden, ook niet van de andere familieleden. Jan Luijten ontdekte dat onze Joannes (II.1.1.) voor de eerste keer is getrouwd in Valkenburg met Maria Cobbe(n). Waarom is onze Joannes, waarvan ik dacht dat hij in Nuth geboren was, in Valkenburg gaan trouwen en waarom is hij daarna teruggekeerd naar Nuth? Bij mij kwam de vraag op: is hij wel afkomstig van Nuth? Begint onze stamboom wel in Nuth?
Als Joannes (II.1.1.) – ook wel Jan genoemd – in 1721 overlijdt, schrijft pastoor Wolters in het overlijdensregister dat Jan een ‘nonagenarius’ is. Hoewel ik dat in eerste instantie heb opgevat als 90 jaar oud, betekent het eigenlijk negentigjarige. Dat kun je ook opvatten als iemand ‘in de negentig’, en dat wil zeggen dat Jan niet in 1630 of 1631 geboren hoeft te zijn, maar dat dit ook eerder kan zijn geweest (rekensom: 1721 − 90 = 1631).
In het dorpje Geulle, waar veel mensen met de achternaam Lonijs of Loonijs aan het begin van de 17e eeuw wonen, wordt op zondag 15 december 1624 een zekere Joannes Loonijs gedoopt. Ouders: Joannis Loonijs (I.0.1.) en Cornelia Corstens. Getuigen: Jonas Wijnckens en Margaretha Nagel(s). Rooms-Katholieke Parochie H. Martinus te Geulle. Vermeld wordt: custodis mei = mijn bewaarder.
Op zaterdag 12 januari 1630 trouwt ene Joannes Lonijs (I.0.1.) met Elisabetha Nagel te Geulle. Uit het vorige huwelijk is al duidelijk dat er een relatie is tussen Lonijs en Nagel(s). Uit dit tweede huwelijk worden twee dochters (en twee zonen) geboren en gedoopt: Elisabetha Lonijs (II.1.2.), vrijdag 25 juli 1631 te Geulle, wiens roepnaam overeen zou kunnen komen met de naam Ida, en Magdalena Lonijs (II.1.3.), zondag 5 maart 1634 te Geulle, wiens roepnaam overeen zou kunnen komen met Helena. Dit zou kunnen kloppen als bewezen kon worden dat de eerste vrouw van Joannis Lonijs is gestorven, maar de overlijdensgegevens van Geulle beginnen pas in 1639. Jammer toch?
De enige persoon die licht zou kunnen werpen op de geboortedata en de relaties van onze Jan en zijn (half)broers en (half)zussen is pastoor Wolters van de parochie St. Bavo in Nuth. En dat doet hij ook. Wolters doet in 1716 een onderzoek naar de familierelatie van Jan (II.1.1.) en zijn halfzus Helena (II.1.3.) in verband met het voorgenomen huwelijk van Paulus (zoon van Jan) en Agnes (dochter van Helena). Ze zijn, zo vertelt het onderzoek, neef en nicht en de kerk wil zo’n huwelijk in principe niet. Zie hiervoor verderop het hoofdstuk 1716. Ook dit is een aanwijzing dat Jan en Helena niet in Nuth geboren zijn, want als dit wel het geval was geweest, zou pastoor Wolters zeker geweten hebben of ze wel of geen familie van elkaar waren: ze zouden dan namelijk in Nuth gedoopt zijn. Een familieonderzoek zou niet nodig zijn geweest.
Zo’n onderzoek werd altijd schriftelijk vastgelegd en met een begeleidend schrijven van de pastoor opgestuurd naar de bisschop, die over een dergelijk huwelijk een besluit moest nemen. Het antwoord van de bisschop is bewaard gebleven (zie hoofdstuk 1716), het schriftelijk onderzoek van pastoor Wolters jammer genoeg niet.
Uit alle gegevens die ik tot nu heb kunnen verzamelen uit de kerkboeken van de Heilige Martinus-parochie van Geulle over generatie (I) en (II), en in samenhang met het door pastoor Wolters uitgevoerde onderzoek, kan ik met een klein voorbehoud concluderen dat wij waarschijnlijk van oorsprong stammen uit Geulle.

Aantal mensen met de achternaam Leunissen (niet allemaal familie) per gemeente in Nederland. Hoe donkerder de kleur geel, hoe meer Leunissens.
In 1947: 536 personen — in 2007: 776 personen.
Voorwoord
Er wonen in Limburg (en elders) veel mensen met de achternaam Leunissen. De naam kwam vroeger in verschillende vormen voor: Loonijs, Lonis, Lönis, Leunis en uiteindelijk als Leunissen. Onze achternaam kwam en komt ook in andere delen van Nederland voor (Zeeland en Brabant) en in België (Belgisch Limburg). De meeste Limburgers met de achternaam Leunissen behoren tot een van de twee takken die in onze provincie zijn ontstaan: een vanuit Voerendaal/Klimmen, de andere vanuit Geulle/Nuth. Of deze twee takken dezelfde voorouders hebben, is door het ontbreken van gegevens niet te zeggen.
Deze stamboom beschrijft de mensen van de tak Geulle/Nuth. Ontstaan in Geulle, verplaatst naar Nuth en via Grijzegrubben, Hunnecum, Maastricht en Amstenrade uitgewaaierd naar België, Duitsland, Amerika en Canada.
In Nuth zijn de eerste namen in de kerkelijke registers van de parochie Sint Bavo opgeschreven vanaf 1586. In het voorbeeld hieronder is te zien dat dit register veel te lijden heeft gehad. Van de eerste pagina’s zijn grote delen vergaan en onleesbaar geworden. Wat we wel nog kunnen lezen is de inschrijving in het doopregister van de Sint Bavokerk te Nuth van Johenna Lonijs. Lonijs is een van de voorlopers van de naam Leunissen.

Wat er staat
12 oktober 1586 baptisata est ……. van Joannis Lonijs de Cathagen en ……. suy uxoris, nomina Johenna ……… permit Matthias Gensis, Joan …… Herle maria catarina
Kessels………. Agneta Kessels, Maria …….. et una Aquensis nomi ……..
Uitleg
Op zondag 12 oktober 1586 wordt dochter Johenna gedoopt. Baptisata est betekent: gedoopt is, en de a op het eind geeft aan dat het een dochter is. De vader is bekend: Joannis Lonijs. De achternaam van moeder is niet meer leesbaar. Suy uxoris betekent: zijn vrouw. Ze wonen in Cathagen, een deel van Nuth. Doopgetuigen zijn: Matthias Gensis, een zekere Joan ….. uit Herle (Heerlen), Maria Catarina waarvan de achternaam Kessels is doorgestreept, Agneta Kessels, Maria …… en een persoon uit Aken, genaamd ……..
De namen Joannis/Joannes en Johenna/Johanna zijn gangbare voornamen binnen de Leunissens. Of deze persoon een familielid is, is onbekend. Tussen 1586 en 1600 zijn in de registers van de Bavokerk in Nuth geen verdere gegevens van de Leunissens gevonden. Of er een verband is tussen deze Lonijs en die in Geulle, die generatie (I) en (II) vormen, is door gebrek aan gegevens niet vast te stellen, ondanks dezelfde achternaam en voornamen.
Rond 1600
Als de toenmalige pastoor in 1586 Johenna als dopeling inschrijft in het doopregister van Nuth, schrijft hij als achternaam Lonijs op. In die tijd is lezen en schrijven vrijwel alleen weggelegd voor de elite: de adel, de rijken en de geestelijkheid. Zij schreven op wat ze hoorden of dachten te horen. De aangevers (‘de gewone mensen’) konden meestal niet schrijven en lezen en konden dus ook niet controleren wat er geschreven werd. Een slechte uitspraak, een halve luisteraar of een dialectvorm van de achternaam kon al leiden tot verwarring of verbastering van de naam. Dat gebeurde niet alleen in Nuth maar overal, ook in Geulle. Dat maakte het zoeken naar de juiste personen voor deze stamboom niet gemakkelijk.
Onze achternaam verandert in Geulle al snel van Loonijs in Lonis. Als Jan (II.1.) zijn zoon Joannes (III.1.) laat dopen in Nuth, schrijft pastoor Wolters de achternaam op als Lonijs. De andere kinderen van hem en zijn vrouw Joanna krijgen als achternaam Lonis, zoals dat in Geulle ook is gebeurd.
En al vroeg met een ö geschreven als Lönis, waardoor de naam Leunis zijn intrede doet. Een o met een Umlaut (ö) wordt in het Nederduits (in die tijd in Zuid-Limburg gangbaar) als een eu uitgesproken. In sommige aktes en kerkboeken komen we dan ook deze achternaam tegen: Lönis, al snel Leunis en niet veel later Leunissen. In Maastricht bijvoorbeeld wordt de naam Leunissen al vrij vroeg in de 18e eeuw veelvuldig gebruikt.
Tot in de 18e eeuw komen (grote) verschillen in onze achternaam voor, en zelfs in de 20e eeuw verschrijft een ambtenaar van de burgerlijke stand zich en maakt van de naam Leunissen de naam Leunessen. Deze naam gaat over op de kinderen, die voortaan Leunessen gaan heten.
Uit het voorwoord zou je kunnen opmaken dat de stamboom in 1586 (Johenna Lonijs) of nog iets eerder rond 1550 (Joannis Lonijs) begint, maar voor een directe afstamming van die Joannis Lonijs en onze Joannis Loonijs/Lonijs is geen concreet bewijs gevonden. Behalve dezelfde voornaam en dezelfde achternaam. Er is ook geen concrete relatie gevonden tussen Joannis Lonijs (1550), vader van Johenna, en N.N. Loonijs (0.I.) 1575. Gegevens ontbreken gewoon, jammer genoeg. Al is de afstand Nuth–Geulle te overbruggen, ook in die tijd, zoals Jan (II.1.) heeft bewezen.

Vertaling
25 maart 1667 gedoopt is zoon van Jois Lonijs en Joanna Raemeeckers, genaamd Joannes, met getuigen Joannes Beckers en Margreta vrouw van Gerardus Willems, pachtster in Grijzengruben. De voornaam van de vader (Jois) is dezelfde als die van de opa uit Geulle.
De achternaam Leunissen
Eeuwen geleden waren achternamen in Nederland niet gebruikelijk, behalve bij adellijke personen. Omdat alleen een voornaam voor de herkenning van de persoon vaak niet meer voldoende was, omdat kleine gemeenschappen groter werden en steden groeiden, kwam daar een toevoeging bij die aangaf welke Jan of Marie bedoeld werd. De aard van deze toevoeging varieerde per regio. In sommige streken werd het zogenaamde patroniem toegepast, een aanduiding die op de voornaam van de vader was gebaseerd. Soms werd de naam van een boerderij of plaats waar men woonde gebruikt – een toponiem – of een aanduiding van een eigenaardigheid of het beroep van de persoon.
Er zijn ongeveer 320.000 verschillende achternamen in Nederland geregistreerd, waaronder beroepsnamen als Bakker, Smit, Visser, Schoenmaker, Molenaar, of plaatsnamen als Van den Bosch, Kampen, Bergen, of vreemde namen als Koedood, Bloot, Poepjes.
Onze achternaam is een zogenaamde afstammingsnaam: een patroniem dus, gevormd uit de naam Leunis (vrijwel zeker een voornaam) en de toevoeging ‘sen’. Sen betekent zoon van. Joannes, de zoon van Leunis, werd dan Joannes Leunissen.
Leunis is volgens professor dr. Frans Debrabandere een van de varianten op de naam Loones, Loonus, Loenis of Loonis – of in ons geval Lonijs. Dit is een verkorte vorm van de naam van de Griekse god Appoloon of de heilige Appollonius. De naam Appolonius is een lange voornaam en werd met name in de vroege Middeleeuwen verkort en verbasterd tot Polonis, Pleunis, Leunis, Loones, Lonis of Lonijs. Een van de vroegste vermeldingen van die voornaam is Loenis Cobbouts huus in 1349 in Vlaanderen (hier nog een voornaam). In 1399 is er sprake van ene Rogier Lonis in Vlaanderen, hierbij als achternaam gebruikt.
Appolonius of Appolonis of Appoloon

Appoloon was een van de grootste Griekse goden. Oorspronkelijk god van de akkerbouw, later ook van de vergelding en de genezing. Hij werd als zoon van Zeus en Leto op het eiland Delos geboren. Hij is ook de god van de wijsheid, daarom spreekt hij door het orakel van Delphi.
Er is ook een heilige Appolonius, die onder keizer Commodus gemarteld werd. Veel populairder is de vrouwelijke tegenhanger: Sint-Apollonia. Zij werd aangeroepen tegen tandpijn.
Het kan ook zijn dat de naam Leunis is afgeleid van Leonius. Dit is een Latijnse heiligennaam, afgeleid van Leo. Een derde mogelijkheid is dat Leunis is afgeleid van Sint-Hilonius, ook wel Sint-Tillo genoemd. Deze heilige leefde van 610 tot 702 en zou van Saksische afkomst zijn geweest.
Bijna zeker is dat de familienaam Leunissen is ontstaan uit een voornaam, welke van de drie mogelijkheden het ook is geweest. Omdat de naam Appolonius of afgeleiden daarvan in de Middeleeuwen (1000 tot 1500) vrij vaak voorkwam, is het duidelijk dat er meerdere takken Leunissen zijn ontstaan (bv. in België en Zeeland) zonder dat zij familie van elkaar zijn.

De poststraat rond 1905. Scharenslijper Thei Becker praat met A. Roberts-Leunissen

Poststraat. De smederij van Jenne Leunissen, die de paarden vanuit de hand besloeg

De oude Hoofdstraat, café van Kleus Leunissen. Voor het café liep nog het open riool

Zie ook het hoofdstuk hieronder: Een stukje familiegeschiedenis. Foto’s gekregen van familieleden.
Een stukje familiegeschiedenis
De geschiedenis van onze Leunissen-familie speelt voor het grootste deel in Zuid-Limburg. Geulle, Nuth, Wijnandsrade, Schinnen, Amstenrade en Maastricht zijn plaatsen die als geboorteplaats of overlijdensplaats worden genoemd. Het betekent dat onze voorouders niet erg reislustig waren, eerder gehecht waren aan hun geboortegrond. Uitzonderingen zijn er gelukkig ook, want wie zijn horizon verbreedt, heeft tenslotte veel te vertellen.








Op gegeven moment vertrekt Joannes Lonijs (II.1.), ik schat rond 1650, vanuit Geulle naar Valkenburg. Hoe ze die afstand overbruggen is niet bekend. In Valkenburg gaat hij in 1662 in ondertrouw en vertrekt 2 jaar later met vrouw en kind via Hulsberg naar Nuth. Waarom hij Nuth uitkiest is een open vraag. Misschien omdat Nuth Spaans gebied is en het katholicisme er vrij baan heeft. Of omdat er misschien tóch familie woont? Zie voorwoord.
Rond 1690 vertrekt Joannes Leunis (III.3.) vanuit Nuth naar Maastricht om te gaan werken als leertouwer. Geen makkelijke tocht voor die tijd en ook niet zonder gevaar. Reizen betekende toen: te voet, te paard of met paard en wagen. En: afscheid nemen van familie, want contacten waren moeilijk te onderhouden.
Omstreeks 1780 vertrekt Joannes Wilhelmus Leunissen (VI.5.2.) naar West-Zaandam. Hij is koopman van beroep. Hij trouwt met Theodora Hegman en overlijdt daar. Hij laat voor zover ik weet geen kinderen achter.
Tussen 1850 en 1900 verhuizen een aantal van onze familieleden naar Pruissen. Ze willen het vak van tegelbakker en steenbakker leren. De meesten komen ook weer terug. Tijdens de Industriële Revolutie wordt er ontzettend veel gebouwd: grote fabrieken en veel kerken.
In 1902 treden Hubertus Jacobus Leunissen (IX.3.5.) en zijn broer Wilhelmus Hubertus Leunissen (IX.3.3.) in dienst van de Heerlense Maatschappij tot het verrichten van Mijnbouwkundige Werken en reizen zo door Belgisch en Nederlands Limburg, door het peelgebied in Brabant en naar Groenlo op zoek naar grondstoffen (kolen, ijzererts etc.). Ze gaan in die tijd zeer waarschijnlijk met de trein. Er loopt een spoor van Luik via Maastricht naar Venlo en verder. Wilhelmus en Jacobus komen op diverse plaatsen, te zien aan de verschillende geboorteplaatsen van de kinderen van Wilhelmus: Maasniel (1905), Kerkrade (1908), Hoensbroek (1910), Oploo-Sint-Anthonis (1912), Helden (1914). Wilhelmus zorgt ervoor dat een deel van de Leunissen-geschiedenis voortzetting vindt in België. Na de Tweede Wereldoorlog vertrekken enkele gezinnen Leunissen naar andere oorden: Canada en Amerika.








Rijke naamgenoten heeft de familie Leunissen niet gekend. De meesten waren eenvoudige handwerkers, boeren, dagloners, mijnwerkers en vooral veel metselaars. Een beroep dat van vader op zoon werd doorgegeven, vanaf de 17e eeuw tot in de 20e eeuw. Onze voorouders moesten ploeteren voor hun dagelijks brood, kenden hun droevige momenten en, laten we veronderstellen, ook hun gelukkige ogenblikken. Ze zullen ook hun feestjes gevierd hebben.
De Sint Bavokerk te Nuth
In het katholieke zuiden heeft de kerk in het leven van de Leunissens een grote rol gespeeld. In Nuth is dit de Sint Bavo. De kerk staat in het oudste gedeelte van het dorp en wordt omgeven door de Dorpsstraat. Vermoedelijk heeft er in de middeleeuwen en in de eeuwen ervoor een ouder kerkje op deze plek gestaan. Hierop wijzen de zich in de kerk bevindende altaarsteen onder de toren en een doopvont die beide uit de 12e eeuw stammen.
Tot 1763 heeft een kleiner kerkgebouw op deze plek gestaan, zoals uit de fundamentresten en geschriften is te herleiden. Tussen 1690 en 1763 wordt getracht de dan bouwvallige kerk – met lage toren, een middenschip en twee aangeplakte zijbeuken – in stand te houden.
In 1763 wordt de nieuwe toren en het eerste deel van het schip over de oude kerk heen gebouwd. Op die manier konden de diensten tijdens de bouw gewoon doorgaan. Het schip met de westtoren zijn in trant van de architect Laurenz Mefferdatis uit Aken opgetrokken. In 1923 werden de zijbeuken en een nieuw koorgedeelte aangebouwd.

De Sint Bavokerk te Nuth (oude situatie, 1922).

De Sint Bavokerk te Nuth na de uitbreiding van 1923.
Sint-Martinuskerk te Geulle
In deze kerk zijn de eerste en tweede generatie Leunissen gedoopt: Joannis (opa), Joannes (Jan), Elisabetha (Ida), Magdalena (Helena), Fredericus en Nicolaus.
Voor of omstreeks het jaar 1000 is de parochie van Sint Martinus gesticht. Het is onbekend wanneer de eerste en de tweede kerk zijn gebouwd. De eerste kerk zou van hout zijn geweest en de tweede van mergel. In de 14e eeuw is de westtoren gebouwd en in 1626 is het gotische koor gebouwd.
In de periode 1664–1806/1820 (afhankelijk van de bron) wordt de kerk gebruikt als simultaankerk door de rooms-katholieke parochie H. Martinus en de toenmalige hervormde (gereformeerde) gemeente Geulle. Tevens is zij ook het toevluchtsoord voor protestanten die aan de overkant van de Maas in het land van Rekem (B) wonen. In 1919–1920 wordt een deel afgebroken en herbouwd. Het deel van de kerk dat werd afgebroken zou de derde kerk zijn geweest. Van deze kerk zijn na een dwarsvergroting alleen het priesterkoor – thans in gebruik als dagkapel – en de toren overgebleven. Het nieuwe middenschip werd opnieuw opgetrokken dwars door de bestaande kerk heen en is naar een ontwerp van de Maastrichtse architect Hubert van Groenendael. Hierdoor kreeg de kerk zijn typische kruisvorm.


Nuth
Nuth, vroeger geschreven als Nut, is al in de middeleeuwen bekend en is waarschijnlijk nog vroeger ontstaan, want op de plaats van de huidige Bavokerk heeft vermoedelijk rond 800 al een kerkje gestaan. In 1626 wordt de plaats Nut(h) verheven tot een eigen heerlijkheid en worden de heren van Eijnatten, wonend op kasteel Reijmersbeek, de baas. Tot die tijd valt Nut onder Klimmen. Rondom het oude kerkdorp Nut bevinden zich verschillende kleine gehuchten die met name genoemd worden in oude stukken en soms op oude landkaarten te vinden zijn, zoals: Hunnecom, Cathagen, Grijzegrubben, Terstraeten, Helle etc.

Het huidige Nuth is een fusiegemeente, ontstaan na twee gemeentelijke herindelingen: in 1821 door toevoeging van Vaesrade en in 1982 door toevoeging van Hulsberg, Schimmert en Wijnandsrade. In 2018 telt Nuth 5 dorpen en 25 gehuchten (buurtschappen genoemd) en telt 15.651 inwoners (1 februari 2012, bron: CBS). Per 1 januari 2019 is Nuth samengevoegd met Schinnen en Onderbanken tot de nieuwe gemeente Beekdaelen.
De generaties Leunissen (II en III) wonen in dorp Nuth, Hunnecum, Grijzegrubben, Terstraeten en misschien Cathagen (zie voorwoord), in die tijd allemaal zelfstandige gehuchten. Er heeft in Grijzegrubben zelfs een Leunissen-huis gestaan. Hierin woonden gedurende meer dan 150 jaar een aantal (waarschijnlijk 5) generaties Leunissen, die mede de basis vormen voor deze genealogie. Joannes Leunis (II.1.1.), geboren 1624 en overleden 1721, woont er, voor zover we weten, met zijn vrouw Joanna Raemeckers als eerste. Mogelijk als laatste tot rond 1822 Maria Sibilla Leunissen (VI.5.9.) met haar man Gerard Joseph De Weez (Dewez).

Geulle groeide door de samenvoeging met een aantal gehuchten in het gebied langs de oostelijke rand van de Maasvallei, zowel beneden in het dal als boven op het plateau. Geulle wordt verdeeld in drie kernen: de oude dorpskern Geulle aan de Maas, Geulle-Beneden en Geulle-Boven. In Geulle aan de Maas staan de eeuwenoude parochiekerk Sint Martinus en het voormalige gemeentehuis. In de nabijheid van de kerk ligt Kasteel Geulle, een restant van het in 1847 afgebroken en geheel gesloopte slot van de heren van Hoen. De dorpskom Geulle-Beneden is ontstaan vanuit de voormalige buurtschap Hulsen. Net ten oosten van het dorp staat de watermolen: Molen van Hulsen of Onderste Molen genoemd. Geulle-Boven ligt op het plateau boven het dal, en tussen Boven en Beneden is een verschil van 68 meter. In 1982 werd Geulle samengevoegd met Meerssen.
Het stadswapen van Geulle is gedeeld in twee staande helften. De eerste is een veld van zilver met daarop een staande rode leeuw, op de tweede staat een zwarte leeuw op een veld van acht afwisselende zilveren en rode balken. Het stadswapen is een samenstelling van twee familiewapens. De rode leeuw is uit het wapen van de heren van Valkenburg, en de zwarte leeuw stamt uit het wapen van de heren van Hoensbroek. Beiden waren ooit eigenaren van Geulle.
Het jaar 1716
Het jaar 1716 is voor onze stamboom een bijzonder jaar. Paulus Leunis (III.1.5.) en Agnes Boesten (III.3.2.) melden bij pastoor Wolters dat ze willen trouwen. Dat is op zich geen nieuws, maar Paulus en Agnes blijken neef en nicht te zijn en dat keurt de kerk ten zeerste af. Voor de kerk zijn Paulus en Agnes familie in de tweede graad en trouwen is dan volgens het kerkelijk recht verboden. Volgend op de mededeling van het toekomstig bruidspaar begint pastoor Wolters van de parochie Sint Bavo te Nuth een onderzoek naar de familierelatie tussen Paulus en Agnes. Hij wil blijkbaar zekerheid in deze zaak.
Paulus groeit op in Nuth als zoon van Joannes Lonijs (II.1.1.) en Joanna Raemeckers. Waar Agnes opgroeit is niet duidelijk, waarschijnlijk eerst in Oirsbeek, later in Nuth. Haar ouders, Helena Leunis (II.1.3.) en Severinus Boesten, zijn vroeg gestorven en Agnes en haar twee broers Hermannus en Joannes werden weeskinderen onder de hoede van een zekere Paulus Leunis (niet duidelijk of hij familie is) en Corst Pitsweg.
Op de een of andere manier is na de melding van Paulus en Agnes bij pastoor Wolters de suggestie op tafel gekomen dat zij familie van elkaar zouden kunnen zijn. Misschien dat voogd Paulus Leunis iets gezegd heeft of misschien had pastoor Wolters zelf een vermoeden. Of Paulus en Agnes het van elkaar geweten hebben is onwaarschijnlijk, gelet op het feit dat ze wilden trouwen. Agnes denkelijk niet, ze was ongeveer 2 jaar toen haar moeder overleed en 9 jaar toen haar vader overleed. Dit onderzoek leidde er in elk geval toe dat we uiteindelijk tot 1575 hebben kunnen teruggaan in de tijd, hoewel dít jaartal fictief is. Het leidde mij naar de geboortedata van de personen die het eerst in de stamboom staan, waarvan de gegevens in Nuth niet te vinden waren, maar zoals later bleek wel in Geulle.
Paulus is gedoopt in Nuth, trouwt daar met Agnes en overlijdt in Grijzegrubben. Agnes is, waarschijnlijk (doopgegevens niet gevonden), net als haar beide broers in Oirsbeek gedoopt, trouwt met Paulus in Nuth en overlijdt in Nuth. Ze wonen in het zogenaamde Leunissen-huis.
Pastoor Wolters zal ongetwijfeld de meeste parochianen gekend hebben, zoveel mensen woonden er niet in zijn parochie in die tijd (rond 1700). Of de eerwaarde de familierelatie precies kende van Joannes en Helena en van Paulus en Agnes is niet zeker, anders had hij geen onderzoek hoeven doen. Joannes en Helena zijn niet in Nuth gedoopt en blijken uiteindelijk ook niet in Nuth geboren te zijn. Helena heeft niet lang in Nuth gewoond, wel in Oirsbeek, waar zij kinderen heeft gekregen en is gestorven. Pastoor Wolters zal haar dan ook niet goed gekend hebben.
De enige persoon die Wolters in 1716 nog iets uit eerste hand kon vertellen was Joannes Lonijs (II.1.1.). Helena was al in 1692 overleden, haar man Severinus in 1700. In 1716 was Joannes 92 jaar en zal door de pastoor ongetwijfeld bevraagd zijn. Of hij op die leeftijd nog goed bij geest was en het nodige heeft kunnen zeggen, weten we niet.
Zijn onderzoek heeft pastoor Wolters op schrift gesteld en naar bisschop Angelus in Roermond gestuurd. Helaas voor ons is zijn schriftelijk onderzoek in de loop der jaren verloren gegaan, het antwoord van de eerwaarde bisschop gelukkig niet. Zijn antwoord is gedateerd zaterdag 24 oktober 1716. Daardoor weten we met zekerheid dat er een onderzoek heeft plaatsgevonden. De bisschop gaf toestemming – ook wel een dispensatie genoemd – voor het huwelijk, ondanks dat Paulus en Agnes neef en nicht waren. Dispensatie werd niet altijd verleend, maar in dit geval wel, omdat Agnes hoogzwanger was.
Uitleg van de dispensatie
De oorspronkelijke tekst in het Latijn van de door de bisschop gegeven huwelijksdispensatie is een door de bisschoppelijke schrijver ingekorte tekst. Dat wil zeggen: stukken van woorden in de tekst werden weggelaten of woorden werden samengevoegd. Men ging ervan uit dat de pastoor (of de kapelaan) de Latijnse tekst wel zou begrijpen.
Voorbeeld: eerste regel, 4e woord: tekst in de oorspronkelijke brief is aplica; uitgewerkt en bedoeld is appostolica (vertaling: apostolische). De weggelaten letters (posto) staan in de uitgewerkte Latijnse tekst tussen haakjes.
De huwelijksdispensatie in het Latijn
Angelus, Dei et ap(posto)lica sedis gra(ti)a ep(iscop)us Ruraemundensis ill: soecularis capituli B(eata): M(aria): V(irginis): Thorensis canonicus, etc.
O(mn)ibus p(raese)ntes visuris, salutem in domino. Fidem facimus et attestamur dilectos nobis in Christo Paulum Leunis, et Agnetem Boesten parochianos de Nuth, districtus Falcoburgensis, n(ost)rae diaecesis, orthodoxae fidei cultores esse, et vere pauperes, de labore, et industria manuum suarum viventes, scientes quidem se invicem, in secundo consanguinitatis gradu collaterali aequali, attingere, non tamen peccandi data opera, ut sedem ap(osto)licam ad gratiam dispensationis concedendam faciliorem redderent, sed laborantes potius ignorantia juris, ac vesana libidine, victos, carnaliter se cognovisse, ita ut maximum infamiae periculum ex ingravidatione oratricis subsit, pro ut hac o(mn)ia fide digno testimonio didicimus. Datum Ruraemundae 24. octobris 1716.
De mand(a)to. ill(ustrissi)mi ac rev(erendissi)mi d(omi)ni ep(iscop)i p(er)fati.

Vertaling
Bij de engel des heren en de gunst van de apostolische stoel zeer aanzienlijke bisschop van Roermond, kanunnik van het seculiere kapittel van de gelukkige maagd Maria in Thorn etc.
Aan allen tegenwoordig die dit zullen zien, gegroet in de heer. Wij zijn er van overtuigd en betuigen dat onze uitverkorenen in Christus, Paulus Leunis en Agnes Boesten, parochianen van Nuth, district Valkenburg, van ons diocees, het juiste geloof toegewijd zijn, en werkelijk arm, levend van hun werk en hun handkracht, wetende dat zij wederkerig in tweede graad van bloedverwantschap elkaar wederzijds raken, niet alleen gezondigd hebbend door hun gegeven handelen dat de apostolische zetel goedgunstig gemakkelijker met een dispensatie had kunnen beantwoorden, maar de zondaars hebben, onwetend van het recht en slachtoffers van een woedende begeerte, elkaar vleselijk bekend, zodat er het grootste gevaar van schande uit een zwangerschap van de vragende (vrouw) is, waarvoor wij in alle geloof met een waardige getuigenis in kennis stellen. Gedaan: Roermond, zaterdag 24 oktober 1716.
Bisschop Angelus
Bisschop Angelus (geboren als Alonso te Brussel, zondag 18 december 1650 – overleden te Brussel, donderdag 9 april 1722) was de achtste bisschop van Roermond. Hij was een zoon van de graaf d’Estrees en Marie Marguerite d’Ursel. In 1668 trad hij in Leuven toe tot de orde van de Kapucijnen en werd priester. Op zondag 11 december 1701 werd Angelus tot bisschop van Roermond benoemd en op donderdag 19 januari 1702 hield hij zijn plechtige intrede. Bij geschillen wendde hij zich steeds tot de hoogste personen, zoals de koning van Pruissen of de staatse gedeputeerden in Den Haag. Ondanks de staatse bezetting van 1702 tot 1715 wist hij het aanzien van de katholieke kerk hoog te houden. Op donderdag 9 april 1722 overleed hij (71 jaar) in Brussel, waar hij wegens zaken aanwezig was. Zijn stoffelijk overschot werd naar Roermond vervoerd en begraven op het hoge koor van de domkerk. Zijn wapenspreuk was: Nescia sordis – onbekend met gemene dingen.

De epitaaf van de bisschop in de Sint-Christoffelkerk in Roermond.

De Sint-Christoffelkerk (kathedraal)
De Sint-Christoffelkerk of domkerk – hiernaast gefotografeerd rond 1906 – werd in 1410 gebouwd als een laatgotische kruiskerk, begonnen als parochiekerk ter vervanging van een oudere kerk. Bij de stadsbrand van 1554 is de kerk (vrijwel) geheel uitgebrand en later herbouwd. In 1661 werd de Sint Christoffel een kathedraal van het in 1559 opgerichte bisdom Roermond. Aan de kerk werd een kathedraalkapittel (een christelijk bestuurscollege) verbonden, dat nog steeds functioneert. In de kerk vinden alle belangrijke gebeurtenissen plaats van het bisdom, zoals priesterwijdingen en de installatie van een nieuwe bisschop. De kerk en vooral de toren hebben al minstens tien rampen meegemaakt: 1554 stadsbrand; 1566 beeldenstorm; 1572 plundering door de troepen van Willem van Oranje; 1591 instorting van het gewelf; 1614 schade door storm; 1892 torenspits brandt af; 1921 torenspits stort in tijdens een storm; 1945 bombardement tijdens WO II; 1945 vernieling torenspits door de Duitsers in WO II; 1992 schade door een aardbeving.
De 80-jarige oorlog
De vroegste periode van de geschiedenis van de Leunissens speelt zich af gedurende de 80-jarige oorlog (1566–1648). Een oorlog tussen de protestantse Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden onder leiding van Willem van Oranje en de katholieke zuidelijke gebieden in handen van de Spaanse koning Philips II. Het Hertogdom Limburg is herhaaldelijk strijdtoneel in deze oorlog, hetgeen met veel verwoesting, geweld en moordpartijen gepaard gaat. Vee – zoals varkens, kippen, koeien, ossen en paarden – maar ook karren en werktuig worden door de legers in beslag genomen en eten wordt gevorderd. Joannis Loonijs (I.0.1.), zijn vrouw en kinderen, en zeker zijn ouders hebben een deel van die strijd misschien wel van dichtbij meegemaakt.

Willem van Oranje

Philips II
Al vroeg aan het begin van de Tachtigjarige Oorlog, zondag 23 juli 1572, veroveren de troepen van Willem van Oranje de stad Roermond. Willem staat toe dat er wordt geplunderd en de soldaten hebben het daarbij vooral gemunt op katholieke kerken en kloosters. In het kartuizerklooster wordt daarbij een bloedbad aangericht, de helft van de aanwezigen wordt vermoord: 12 monniken/priesters en de aanwezige bakker.
In 1632 trekt een leger van de Republiek vanuit Nijmegen naar het zuiden en verovert alle steden, inclusief Maastricht. Tijdens het beleg van Maastricht moet de pastoor van Heer (een dorpje net buiten Maastricht) zich herhaaldelijk met zijn parochianen verstoppen in de mergelgroeven om het vege lijf te redden. Intussen worden de velden kaalgevreten door de paarden van de Republiek.
Ook 1635 is een rampjaar. In het land van Loon (Belgisch-Limburg en delen van Nederlands-Limburg) trekken zowel protestantse als medeplichtige Franse troepen over het platteland en plunderen kerken en kloosters. Zelfs Duitse en Kroatische troepen, die de Spanjaarden te hulp komen, teisteren dit gebied.
Steden en dorpen zijn regelmatig het doelwit van plunderingen. De armoede van de gewone burger zakt door al die oorlogshandelingen naar een ongekend dieptepunt. Van Sittard, dat ook enkele keren is geplunderd, is bekend dat het bevolkingsaantal in korte tijd halveert in de eerste helft van de 17e eeuw.
Een bijkomende ramp is de pestepidemie van 1636. Deze trekt door een groot deel van West-Europa en zal waarschijnlijk ook in onze streken veel slachtoffers hebben gemaakt.
In 1637 vindt de herovering plaats van Venlo en Roermond door Spaanse troepen. Na een korte protestantse regering (1632–1637), waarbij de protestanten kerken krijgen toegewezen en predikanten vanuit de stadskas worden betaald (in Venlo wordt zelfs het katholicisme verboden), wordt de oude toestand na 5 jaar weer hersteld. Sittard en Maastricht zijn echter nog steeds in Republikeinse handen. Opvallend is hoe de burgerij van Roermond weigert de stad te verdedigen in 1637 en daarna de Spanjaarden met gejuich binnenhaalt. Duidelijk is dat het katholieke zuiden geen boodschap heeft aan de protestanten uit het noorden.
Vrijdag 15 mei 1648 wordt de vrede getekend: de Vrede van Münster in Duitsland tussen Spanje en de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden. Daarbij wordt de Republiek als soevereine staat erkend door Philips II.
Ondanks deze vrede betekende het niet het einde van de vijandelijkheden, want de grenzen tussen Spaans en Hollands gebied waren nog niet vastgesteld. Zuid-Limburg was een lappendeken, verdeeld in Spaans gebied en gebieden van de Verenigde Nederlanden, bestuurd door de Staten Generaal, en vandaar genoemd de Generaliteitslanden. In deze Generaliteitslanden was het Echtreglement van toepassing. Lees daarvoor het weetje bij Joannes Lonijs (II.1.1.) en zijn vrouw Maria Cobben. Geulle was Hollands gebied, Nuth was Spaans gebied en Valkenburg was opgedeeld.
Door de langdurige oorlog waren veel mensen op drift geraakt en de meeste vluchtelingen begonnen zich of in hun huidige woonplaats of ergens anders te vestigen. Men begon aan een voorzichtig herstel en wederopbouw. Al was de vrede van korte duur.
Al in 1667 nam een Frans leger de Spaanse Nederlanden in bezit, maar vertrok een jaar later weer. Spaanse ruiters namen hun plaats in ter verdediging van het gebied, met gevolgen voor de bevolking, zoals het leveren van voedsel voor de soldaten en de dieren. In 1672 vielen de legers van Lodewijk XIV opnieuw de Landen van Overmaas (onder andere bestaande uit het land van Valkenburg, Klimmen, Hoensbroek, Nuth, Oirsbeek, Brunssum etc.) binnen. Nu was hun oorlog gericht tegen de te machtige Republiek der Verenigde Nederlanden, die zich met Spanje had verbonden. Het bleef onrustig in het leefgebied van de Leunissens. Lees verder in de geschiedenisboeken.

Kaart uit 1635 van het Hertogdom Limburg. Nuth ligt op de kaart rechts boven het gehucht Hunnecom en het bos aan de Platsbeek. Geulle ligt op de kaart vanaf Maastricht omhoog langs de Maas, tegenover het plaatsje Rekum.
Nuth (in die tijd geschreven als Nut) is een gehucht, gelegen aan de kronkelige Platsbeek. Deze beek is een zijbeek van de Geleenbeek, die het Zuid-Limburgse heuvelland over een lengte van ongeveer 4,3 km doorstroomt van zuid naar noord. Ze ontspringt op het plateau van Schimmert, stroomt langs de gehuchten Helle, Terstraeten, Nierhoven, Nuth en Huis De Dael en mondt bij Kathagen in de Geleenbeek.
Geulle ontleent zijn naam aan het riviertje de Geul. Deze ontstaat nabij het gehucht Lichtenbusch, gemeente Raeren (B), nabij de Duitse grens. De Geul komt bij Cottessen (Epen) Nederland binnen en wordt o.a. gevoed door de Selzerbeek, de Eijserbeek en de Gulp. In oude geschriften wordt de Geul al genoemd en verschillend geschreven: Goila (891), Goilla (1334), Gheule (1420), Goelle/Goille (1475), Gheul (1793).

De geestelijke macht in Nuth en Geulle
In de periode 1500–1800 behoren Nuth en Geulle tot het dekenaat Valkenburg. Hier bevindt zich de kerkelijke en dus geestelijke macht. De oudste gegevens over een officiaal of gerechtsvicaris (een rechter aan een kerkelijke rechtbank van de Katholieke Kerk) van het dekenaat van Valkenburg dateren uit de tweede helft van de 17e eeuw (ongeveer rond 1650). De kerk heeft het recht te oordelen over alle godsdienstige kwesties en met deze verband houdende zaken, over de schending van kerkelijke wetten en ook over burgerlijke zaken en strafzaken betreffende personen die vallen onder het zogenaamde privilegium fori (zijnde de geestelijken). De kerkelijke rechtbanken zijn onder andere bevoegd in zaken betreffende het huwelijksrecht en kunnen een kerkelijk huwelijk nietig verklaren. De officiaal (de rechter) spreekt recht volgens het canoniek recht: canoniek, afgeleid uit het oud-Grieks, betekent maatlat. Het is het recht dat door de Katholieke kerk, de Anglicaanse kerk en de orthodoxe kerken is vastgesteld.

De wereldlijke macht in Geulle
In de periode waarin onze eerste familieleden voor zover bekend in Geulle leven – laten we zeggen vanaf 1600 e.v. – wordt Geulle bestuurd door het geslacht Hoensbroeck. Wolter, zoon van Gothard van Hoensbroeck en Geertruid van Scheiffart de Merode, geldt als stichter van de linie van Geul. Zijn nazaat, Conraad Ulrich, baron van Hoensbroeck-Geul, is de geschiedenis ingegaan als groot bouwheer. Hij laat in Geulle rond 1620 een imposante waterburcht bouwen – à la het nog bestaande kasteel van Hoensbroek – en pakt gelijk ook het herstel van de bouwvallige kerk aan. Hij doet dit zo grondig, dat het dorp een compleet nieuwe kerk krijgt op de 14e-eeuwse toren na. Tijdens zijn leven wordt de heerlijkheid Geulle gepromoveerd tot graafschap, wellicht mede onder invloed van de aanwezigheid van een machtig kasteel met kerk.
Van de laatste heer uit het geslacht van Hoensbroeck-Geul, graaf Herman Otto, erft zijn dochter Anna Maria Bernardina Appolliona Philippa in 1762 het slot Geulle. Daarmee duikt een nieuwe naam op in de lijst van heren van Geulle, die van haar echtgenoot graaf Frans-Xavier van Hohenzollern-Hechingen, kolonel in keizerlijke dienst. Hij sterft in 1765 als vader van 4 kinderen. Zijn weduwe sterft in 1798. Zijn enige dochter Felicitas trouwt met graaf Maximiliaan van Hoen tot Neufchâteau, die tot aan zijn dood in 1823 schout is in Geulle. Uiteindelijk komt het trotse kasteel van Geulle in handen van graaf Emil Desiré Antoine d’Oultremont, slechts korte tijd van 1842 tot 1848. In 1848 geeft hij aan Guipart en Lennaerts opdracht de magnifieke burcht, omgeven door meerdere grachten, te slopen. Daarmee bewijst deze graaf Emil aan Geulle een heel slechte dienst. Het dorp verliest een van zijn voornaamste architectonische pronkstukken: het eigenlijke kasteel. Dat wordt met de grond gelijkgemaakt, op het carrévormige voorgebouw na.
Tekst van de Heemkundekring Geulle.
De wereldlijke macht in Nuth

De wereldlijke macht wordt in Nuth officieel gevestigd met het geslacht van Eynatten, dat kasteel Reijmersbeek al vanaf de veertiende eeuw bezit. Zaterdag 26 december 1626 maakt luitenant drossaard van het land van Valkenburg, Frederik van Randenraeath, aan de bewoners van Nuth bekend dat Philips IV Nuth had verpand aan Jonkheer Steven van Eynatten. Deze verpanding vond plaats donderdag 20 augustus 1626 door de bewindvoerders voor Philips IV voor 4300 Vlaamse ponden. Nuth werd hierbij een zelfstandige Heerlijkheid.
De ingezetenen van Nuth waren hiervoor samengestroomd op de openbare weg voor de kerk. Na een ‘korte samenspraeck en deliberatie’ waren zij het hiermee roerend eens. Zij stelden enkele voorwaarden: ze moesten kunnen blijven bij hun oude gevestigde ‘costuymen’, ‘bankrecht’, voorrechten, vrijheden en immuniteiten.

De baron krijgt na het visrecht, muntrecht en tolrecht, het recht om bomen langs de weg te planten en gevonden voorwerpen in beslag te nemen. Voor een goed bestuur benoemt hij Schout en Schepenen, die bijeenkomen in zijn grote kamer. Ook spreken zij recht en de toren van Reijmersbeek wordt als gevangenis ingericht: 40 trappen voeren naar de cel onder het dak. Op de kruising van de weg vanuit Nuth en de weg naar Hoensbroek (nu een rotonde) wordt de galg opgericht. Op het doodvonnis van de zeven Schepenen is geen hoger beroep mogelijk en het vonnis wordt snel en ter plaatse voltrokken.
Jan Ulrich van Eijnatten volgt zijn vader op als Heer van Nuth, maar ook hij sterft jong in 1677. De laatste Van Eijnatten, die op kasteel Reijmersbeek resideert – Karel Theodoor – laat het kasteel moderniseren. In de Franse tijd woont hij echter op zijn slot Trips in Geilenkirchen. In 1809 verkoopt Theodoor het goed aan de Maastrichtse rechtsgeleerde Paul Lekens.
Gedeeltelijk uit een tekst van Joep (Jos Ritzen). Zie Nuth van Toen.
20 Tweelingen

Tweelingen komen in de geschiedenis van de Leunissens regelmatig voor. De eerste tweeling is die van Johannes Leunis en Maria Limpens: Paulus en Maria Mechtildis in 1740. Zijn broer Paulus Lönis en Maria Elisabeth Lensen krijgen tweemaal een tweeling: Leonardus en Maria Mechtildis in 1781 en Joanna en Maria Sibilla in 1783.
Opvallend is dat, hoe dichter we bij onze huidige tijd komen, het aantal tweelingen stijgt. In de 18e eeuw komt het 3 keer voor, in de 19e eeuw 6 keer en in de 20e eeuw al 10 keer. Een voorzichtige conclusie zou kunnen zijn dat in de loop van de eeuwen de leefomstandigheden verbeteren, maar de juiste conclusie kan ik niet trekken.
Van de tweelingen zijn 17 mannelijk, 23 vrouwelijk en 1 onbekend NN (levenloos geboren). Van hen worden er 16 volwassen, 18 sterven een vroege dood en van 6 is het op dit moment niet bekend. De tweelingen zijn verdeeld in 7× man-vrouw, 7× vrouw-vrouw, 5× man-man en 1× NN-vrouw. De echtparen bestaan 5 keer uit een mannelijke Leunissen en echtgenote, en 15 keer uit een vrouwelijke Leunissen en echtgenoot.
Overzicht
| Jaar | Ouders | Tweeling |
|---|---|---|
| 1740 | Johannes Leunis & Maria Limpens | Paulus & Maria Mechtildis Leunissen |
| 1781 | Paulus Lönis & Maria Elisabeth Lensen | Leonardus & Maria Mechtildis |
| 1783 | Paulus Lönis & Maria Elisabeth Lensen | Joanna & Maria Sibilla |
| 1802 | Maria Sibilla Leunissen & Gerard Joseph De Weez | Anna Elisabeth & Maria Elisabeth |
| 1853 | Maria Gertrude Leunissen & Johann Gerard Floracks | Amandus & Franz |
| 1878 | Anna Maria Sibilla Leunissen & Jan Theodoor Daemen | Joannes & Maria Catharina |
| 1883 | Maria Elisabeth Leunissen & Hubertus Stevens | Maria Hubertina & Hubertus Cornelis |
| 1890 | Maria Catharina Leunissen & Wilhelmus Offermans | Josephus Arnoldus & Hendrikus Hubertus |
| 1899 | Johanna Maria Leunissen & Jan Jozef Claessens | Hubert Karel Gerard & Paulina Ernestina Philipina |
| 1903 | Maria Josephina Leunissen & Willem Hendrik Majoor | Herman & Johannes |
| 1906 | Anna Hubertina Leunissen & Jan Mathias Luijten | Maria Margaretha & Maria Elisabeth |
| 1913 | Jan Leunissen & Maria Deumens | Maria Cornelia & Maria Mathilda |
| 1916 | Anna Maria Jacobina Leunissen & Franciscus Dominicus Hommen | Sophia Francisca & Helena Maria |
| 1923 | Clara Maria Leunissen & Frans Notermans | NN (levenloos geboren) & Anna Christina |
| 1925 | Clara Maria Leunissen & Frans Notermans | Anna Christina & Christina |
| 1930 | Maria Elisabeth Leunissen & Henri Theodore Huydts | Tony & Thera |
| 1934 | Maria Elisabeth Leunissen & Henri Theodore Huydts | Han & Jo |
| 1944 | Maria Helena Leunissen & Jan Renier Hahn | Joseph Hubertus & Francisca Maria |
| 1950 | Anna Maria Angelina Leunissen & Jan Martin Philips | Anna Maria & Maria Elisabeth |
| 1960 | Hendrik Joseph Leunissen & Maria Josephina Florax | Arthur Werner & Richard Joseph |